Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0475

Datum uitspraak2006-10-13
Datum gepubliceerd2006-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/5072 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigeirng WAO-uitkering. Niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt geweest.


Uitspraak

04/5072 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2004, 03/3085 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 13 oktober 2006 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer. II. OVERWEGINGEN Appellant, geboren op 5 januari 1940, heeft van 11 juni 1970 tot juni 1971 in Nederland gewerkt. Op 5 oktober 1970 heeft zich een arbeidsongeval voorgedaan waardoor appellant een aangezichtsfractuur heeft opgelopen. Ten gevolge hiervan heeft appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen tot zijn hersteldverklaring op 13 oktober 1970. Op 22 maart 2000 heeft appellant via de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), kennelijk wegens sedert het arbeidsongeval in 1970 bestaande arbeidsongeschiktheid. Appellant acht zich volledig arbeidsongeschikt en heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag enkele medische stukken overgelegd. De aanvraag van appellant is door het Uwv bij besluit van 24 juni 2002, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 juni 2003, afgewezen omdat appellant vanaf 5 oktober 1970 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest en derhalve de wachttijd niet heeft vervuld. De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad overweegt als volgt. Recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat volgens artikel 19 van de WAO voor een verzekerde zodra hij 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Uit de voorhanden gegevens is gebleken dat appellant in de periode vanaf 5 oktober 1970, de datum van het arbeidsongeval, tot de datum 13 oktober 1970, met ingang van welke datum hij destijds niet langer arbeidsongeschikt in de zin van de Ziektewet is geacht, ziekengeld heeft ontvangen. Appellant is niet tegen die hersteldverklaring opgekomen, zodat die beslissing in rechte is komen vast te staan. Voorts is gebleken dat appellant tot juni 1971 in Nederland heeft gewerkt, zodat moet worden geconcludeerd dat van een arbeidsongeschiktheidsperiode van 52 weken geen sprake is. Voorzover uit de door appellant overgelegde medische stukken moet worden geconcludeerd dat appellant nog steeds klachten ondervindt van het bedrijfsongeval in 1970, welke klachten blijkens de brief van tandarts Van der Laan uit 1978 nooit afdoende zijn behandeld omdat appellant zich voor behandeling van de botfractuur niet meer bij hem heeft gemeld, heeft de Raad in die stukken geen aanleiding gezien anders te oordelen dan het Uwv en de rechtbank hebben gedaan. De medische informatie biedt geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat appellant in de relevante (verzekerde) periode onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt zou zijn geweest. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat tot de onderhavige aanvraag van 22 maart 2000 via de CNSS geen eerdere ziekmelding is ontvangen, terwijl niet valt in te zien dat appellant hiertoe buiten staat zou zijn geweest. Het risico van eventuele onduidelijkheid met betrekking tot appellants medische situatie ten tijde in geding moet door het tijdsverloop van 30 jaar voor rekening van appellant te blijven. Uit het vorenstaande volgt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering en dat het Uwv derhalve op goede gronden aan appellant een uitkering ingevolge de WAO heeft geweigerd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2006. (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.F. van Moorst. MK III. DÉCISION La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale), Statue: Confirme la décision attaquée. Par conséquent, décidée par M. le maître M.M. van der Kade en présence de le maître M.F. van Moorst en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 13 octobre 2006.